Vrij van angst

 

Katleen Maes

EEN zonnige lentedag in april, in de vroegere grensstreek tussen Noord- en Zuid-Jemen. Drie meisjes van 11 hoeden schapen in een idyllisch berglandschap. Plotseling struikelt een van hen, haar voet zit vast in een gat in de grond. Nog geen vijf seconden later, een enorme knal. Ze heeft in het gat een landmijn geraakt, verstopt in een wit gemarkeerde en dus - zo dachten de meisjes - veilige zone. Ze had geluk, enkele uren later was ze in het ziekenhuis, levend en wel, al mist ze nu een been en enkele vingers.

 

September 2005

 

In de aanloop naar de VN-top van vorige week werd de staten gevraagd om actie te ondernemen tegen de proliferatie van massavernietigingswapens, maar ook om de strijd aan te gaan tegen wapenhandel en landmijnen. Een akkoord over nucleaire en andere massavernietigingswapens werd niet bereikt, maar de standaardzin om toe te treden tot het Verdrag voor een Verbod op Landmijnen haalde nog net de eindtekst. Staten worden opgeroepen technische bijstand te leveren aan landen die getroffen zijn door landmijnen.

Deze paragraaf schiet schromelijk tekort. De steun moet zich richten op mensen en ontwikkeling, niet enkel op technische gemakkelijkheidsoplossingen. Daarnaast moet de internationale gemeenschap haar uiterste best doen om te vermijden dat andere wapens, zoals clusterbommen, gelijkaardige menselijke, economische en ecologische schade aanrichten.

Landmijnen en niet-ontplofte oorlogsrestanten zijn te vinden in 91 landen en regio's, maar er zijn slachtoffers in zo'n 120 landen. De overgrote meerderheid van de slachtoffers zijn burgers. Een kwart van hen zijn kinderen, zeventig procent is in de productiefste periode van zijn leven (15-59). De economische impact voor het slachtoffer, zijn familie en omgeving is enorm, want mensen met een handicap zijn de armste onder de armen. Daardoor hebben ze geen toegang tot gezondheidszorg.

Landmijn slachtoffers in Cambodja spellen basketbal.

©2005 Katleen Maes

 

Landmijnslachtoffers of hun kinderen zijn vaak aangewezen op ngo's om enige vorm van onderwijs of bijscholing te krijgen. Als een vrouw of meisje gewond wordt door een mijn, is ze in landen als Afghanistan en India van geen enkele waarde meer, want ze zal nooit een echtgenoot vinden. Ze is tot haar dood een last voor de familie en zal geen kans krijgen om zich verder te ontwikkelen. Zoals zoveel andere landmijnslachtoffers en mensen met een handicap worden ze gestigmatiseerd, als onproductief beschouwd en aan hun lot overgelaten.

Hun aantal zal alleen maar toenemen, want op dit moment vormen clusterbommen een gevaar voor de bevolking in een twintigtal landen en regio's, zoals Afghanistan, Irak, Kosovo en Laos, maar ook Ethiopië, Tsjaad en Saudi-Arabië. Een paar dagen geleden lieten onderzoeksteams weten dat er na de hevige gevechten in en rond Najaf geen enkel dorp of gehucht meer is zonder clusterbomslachtoffers.

 

In 2003 wisten we al dat negentig procent van de burgerslachtoffers tijdens de Amerikaanse invasie in al-Hilla, centraal Irak, veroorzaakt werden door clustermunitie. Clusterbommen zijn, in tegenstelling tot landmijnen, bedoeld om een dodelijk effect te hebben. Als een slachtoffer toch overleeft, zijn de verwondingen onmenselijk.

De internationale gemeenschap heeft de plicht hieraan een einde te maken door een ban op het gebruik van clustermunitie goed te keuren en voldoende (ontwikkelings)hulp te bieden zodat mensen niet alleen zonder angst maar ook waardig mogen leven.

 

Katleen Maes works for Handicap International on the International Campaign to Ban Landmines.

 

This article appeared in the 21 September 2005 edition of Belgian daily De Standaard

 

© 2005 Katleen Maes

 

 

ã2005 K. Diab. Unless otherwise stated, all the content on this website is the copyright of Khaled Diab.